De gildebroeders hadden drie soorten financiele verplichtingen (jaarzang, leergeld en proef- of inkomengeld) ten goede komend aan het gilde zelf. Onder de republiek werden echter ook lasten op anderen, die niet in het handwerk hun bestaan vonden, gelegd. Zij die ambten bekleedden, moesten een ambt- of officiegeld, een impost, een belasting dus aan de overheid, ...