Johannes staat naar links gewend, rustend op zijn iets gebogen linkerbeen, zijn rechtervoet vooruitgeschoven. Hij kijkt omhoog en heeft zijn handen voor zich gevouwen. Hij staat op een grondje dat op een hoog voetstukje rust dat de vorm heeft van een rots, waarop een knekel ligt. De rotsen en aardschollen zijn van parallelle groeven voorzien. ...