Eén van serie van zes. Zoon (Filius Prodigus) aan tafel met Lust (Caro) en Hebzucht (Avaritia). Personificatie van de wereld (Mundus) vertrapt Geweten (Conscientia). Zelfzucht (Proprum Commudum) steelt de geldbuidel. Achter hem staan Vergankelijkheid (Vanitas), Ketterij (Haeresis) en Rede (Ratio), die speelt op een doedelzak. Boven het tafereel in een wolk de geest van Onjuistheid ...