Job zit op een mesthoop, zijn huid is overdekt met zweren. Zijn vrouw staat naast hem en lijkt hem aan te spreken, vrienden lopen voorbij en maken spottende gebaren. Op de achtergrond worden de bezittingen van Job getroffen door rampen: dieren gaan dood en gebouwen staan in brand. In de marge boven de afbeelding staat ...