Kamerling (kamerheer) en schatbewaarder van de Kandake, de koningin van Ethiopië, wordt door apostel Filippus gedoopt. De kamerling, een Ethiopiër gekleed als een Romeinse legerofficier, knielt neer en kijkt in volle overgave omhoog. Naast hem liggen zijn tulband en kromzwaard. De apostel, hier een oudere Europese man gekleed in gewaad, giet met zijn rechterhand water uit een doopschelp over het hoofd van de kamerling en wijst met zijn linkerhand naar de hemel. Op de achtergrond kijkt een groep mannen van Afrikaanse afkomst toe, verschillende kostuums en hoofddeksels dragend (tulbanden, verentooien, helmen), sommigen tevens gekleed als Romeinse soldaat, een aantal te paard.
De voorstelling verbeeldt het Bijbelse verhaal uit de Handelingen der Apostelen (8:26-40) waarin apostel Filippus, onderweg van Jeruzalem naar Gaza, de kamerling van de koningin van Ethiopië ontmoet, die vervolgens Filippus vraagt hem te dopen.