Loodje voor het klein bakengeld van Harlingen, 1804-1806
bakenlood
douanelood
identificatieteken
informatievormen
lood
44839
Een gelijkzijdig driehoekig loden plaatje met ingeslagen voorstelling. Bij de bovenste punt een gaatje. In het midden het wapen van Harlingen, geflankeerd links met de letter A en rechts met de letter K (=afkorting voor Armen Kas). Onder het wapen het jaartal 1805 binnen een kaderlijntje. De keerzijde is vlak. Deze driehoekige loodjes (voor het hoge tarief) dienden samen met ronde uitvoeringen (voor het lage tarief) als bewijs van betaling voor de jaarlijkse heffing van het klein bakengeld dat geheven werd van Zuiderzeeschepen. Kleine schuiten zoals kaag of damschuit betaalden twee stuivers per jaar, een heck- of gaffelschuit drie stuivers per jaar, een galjoot zes stuivers per jaar en een schip met razeil leeg uit Holland komende twaalf stuivers per jaar. Het Armenbestuur van Harlingen was betrokken bij de betonning in het oostelijk deel van de Zuiderzee sinds een overenkomst uit 1559 tussen de steden Harlingen en Bolsward. De heffing werd aanvankelijk tonnengeld genoemd. De opbrengst was kennelijk voor de armenzorg bedoeld. Een bestemmingsheffing dus. Dit is vergelijkbaar met de heffing van de hondenbelasting en het uitreiken van een hondenpenning als bewijs van betaling door het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam in de Bataafs-Franse tijd. In 1835 nam het Departement van Marine de organisatie over.